De RVA-jacht op de uitvoerende kunstenaar

Als uitvoerend kunstenaar heb je een groot risico dat je ergens tijdens je loopbaan beroep moet doen op een werkloosheidsuitkering. Om toegang te krijgen tot die werkloosheid houdt de RVA geen rekening met wat je ontvangt aan rechten, maar eens je bent ingeschreven worden je inkomsten uit rechten wél in rekening gebracht. Of beter gezegd in mindering.

Dat je geen sociale rechten opbouwt met inkomsten uit rechten, is verdedigbaar. Er worden immers ook geen sociale bijdragen betaald op deze roerende inkomsten. Maar, dat ze gebruikt worden om de sociale rechten die je elders opbouwt af te kalven, dat slaat natuurlijk nergens op.

En toch mag het. Op basis van het vernieuwde artikel 130 van het KB van 25 november 1991 mag de RVA sinds enkele jaren inkomsten uit rechten gebruiken als basis voor een herberekening van de uitkering. En ze maakt steeds vaker gebruik van die mogelijkheid, al is dat niet steeds op een correcte manier. Een greep uit het aanbod:

Een actrice valt na twintig jaar dienst zonder werk en schrijft zich in september in als werkzoekende. De naburige rechten die ze in de maanden voor haar werkloosheid heeft uitbetaald gekregen (en aangeeft) worden (begrijpelijk) niet in rekening genomen bij het bepalen of ze al dan niet toegang verkrijgt tot de werkloosheid. Op basis van haar loon verkrijgt ze een uitkering, maar in het daaropvolgende jaar wordt haar hele uitkering voor de maanden september tot december toch teruggevorderd omdat ze teveel aan rechten had ontvangen in het jaar dat ze ingeschreven was als werkzoekende.

Een muzikant vult het formulier C1-Artiest in en verklaart dat hij schat zo’n 350 euro aan rechten te zullen ontvangen in het komende jaar. Uiteindelijk ontvangt hij 2500 euro aan rechten en wordt hij gesanctioneerd als fraudeur. De 2500 euro gebruikt de RVA om een vermindering van zijn uitkering te berekenen. Nochtans ligt dit bedrag ver onder de grens van wat je op basis van artikel 130 aan rechten mag ontvangen.

….

PlayRight blijft voorstander van het zonder uitzondering en zonder beperking erkennen van het roerend karakter van de inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten, zoals dat vandaag de dag wordt gedaan door de fiscus. Auteursrechten en naburige rechten hebben geen plaats in art.130 en dienen door de RVA verwerkt te worden als iedere andere roerende inkomst, namelijk niet!

Met het oog op een constructief overleg met de uitbetalingsinstellingen, de RVA én de bevoegde Minister, vraagt PlayRight aan haar aangeslotenen om melding te maken van beslissingen van de RVA waarbij rechten – uitbetaald door PlayRight of door derden – ertoe geleid hebben dat uitkeringen werden verminderd of zelfs ingetrokken.

Je kan dit doen door een kopie van de beslissing van de RVA te mailen naar .

 Art. 130

  • 1. Valt onder de toepassing van § 2, de werkloze die :
    1° op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent binnen de voorwaarden bedoeld in [2artikel 48]2;
    2° een mandaat uitoefent in de zin van artikel 49, of een onvolledig pensioen ingevolge de uitoefening van dergelijk mandaat geniet;
    3° een prestatie geniet wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit in de zin van artikel 61, § 3;
    4° een pensioen geniet in de zin van artikel 65, § 2;
    5° [2 …]2
    6° in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvang voortvloeiend uit de oefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit.
    § 2. (Het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in § 1 dat 10,18 EUR overschrijdt. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het gedeelte van een cent al dan niet 0,5 bereikt. Het mag [2 in het geval bedoeld in § 1, 2°]2, niet minder bedragen dan 12 cent.)
    In het geval bedoeld in § 1, 1°, wordt rekening gehouden met het globale inkomen, met inbegrip van datgene wat verworven wordt op de dagen waarvoor een uitkering in mindering wordt gebracht of waarvoor geen uitkering wordt verleend.
    [1 In het geval bedoeld in § 1, 6°, wordt rekening gehouden met alle inkomens die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de uitoefening van een artistieke activiteit, met uitzondering van het inkomen uit een statutaire tewerkstelling of het inkomen of een gedeelte ervan uit een activiteit die onderworpen is aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, wanneer inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht op dit inkomen of op een deel ervan.]1
    Er wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit artistieke activiteiten die definitief beëindigd werden vóór het begin van een werkloosheidsperiode of reeds gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren beëindigd werden.
    Het dagbedrag van het inkomen, bedoeld in § 1, wordt bekomen door het netto jaarinkomen te delen door 312. Wanneer het nochtans een activiteit betreft die niet in loondienst wordt uitgeoefend, wordt rekening gehouden met het netto belastbaar jaarinkomen.
    [3 Indien het inkomen een activiteit betreft beoogd in § 1, 1° of 6°, die pas in de loop van het jaar werd aangevat of die eindigt in de loop van het jaar, of indien het inkomen een andere prestatie betreft beoogd in § 1, 2° tot 4°, waarvan de werkloze begon te genieten in de loop van het jaar of waarvan hij ophield te genieten in de loop van het jaar, wordt het dagbedrag van het inkomen bekomen door het jaarinkomen bedoeld in het vorige lid te delen door een aantal dagen dat evenredig is aan de periode gedurende dewelke de activiteit werd uitgeoefend of gedurende dewelke de prestatie werd ontvangen.]3
    (Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.)
    § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt voor de werkloze, bedoeld in [1 artikel 48bis, § 3, tweede lid]1 , het dagbedrag van de uitkering verminderd met het dagbedrag van het inkomen.