Er komt geen eind aan het wachten van acteurs en muzikanten.

Een goede tien jaar geleden, nadat de Belgische overheid had beslist om de vergunning van het toenmalige Uradex als collectieve beheersvennootschap in te trekken, gaf niemand nog een cent voor de toekomst van het collectief beheer van de rechten van uitvoerende kunstenaars in België. Uit de as van Uradex herrees als een feniks echter PlayRight. Een nieuwe ploeg, gedreven door een professionele dynamiek, investeerde energie, middelen en knowhow in een innovatieve omgeving en zorgde op termijn voor een performant collectief beheer van de rechten van uitvoerende kunstenaars. Vandaag staat onze organisatie als een huis en geldt ze zowel in eigen land als daarbuiten als een referentie, een benchmark.  

Luc Gulinck, voorzitter van de Raad van Bestuur van PlayRight, ©Margaux Nieto

Een collectieve beheersorganisatie is bij uitstek voor de beroepsgroep van artiesten (zangers, muzikanten en acteurs) een verbindende kracht. Zij zijn volgens de wet ook verantwoordelijk voor de goede organisatie van het collectief beheer van hun rechten. Het débacle van Uradex was in meer dan één opzicht een aanmaning van de overheid om beter te doen, en artiesten hebben die handschoen ook opgenomen. Vandaag moeten we echter vaststellen dat de overheid van haar kant de engagementen die ze op wetgevend vlak is aangegaan jegens de artistieke gemeenschap in dit land, niet nakomt. Ze verwaardigt zich niet haar eigen wetten uit te voeren, met als gevolg dat vele miljoenen euro’s die aan rechthebbenden toekomen, niet kunnen geïnd worden. Dit getuigt van grove minachting voor alle artiesten in dit land, en voor de goede inspanningen die deze beroepsgroep zich heeft getroost om zich te organiseren zoals de wet het voorschrijft.

Kern van de zaak is dat de cruciale wijzigingen die onder de vorige federale regering werden aangebracht in de auteurswetgeving, en die met name de positie van uitvoerende kunstenaars hadden moeten verbeteren, al zo’n drie jaar dode letter blijven. De uitvoering die er door middel van koninklijke besluiten aan moet worden gegeven, wordt steevast zonder boe of bah uitgesteld. Het gaat met name over de openstelling van het regime van de billijke vergoeding (voor de publieke uitvoering van hun prestaties in films en televisieseries) voor acteurs, de uitbreiding van dat regime voor muzikanten naar muziek gespeeld op de werkvloer en – last but not least – de gunning aan uitvoerende kunstenaars aan het hen geëigende deel van de kabelrechten waarvoor de kabeldistributeurs in dit land jaarlijks tientallen miljoenen aanrekenen aan de consument, maar waarvan artiesten nog geen cent hebben gezien. Ook inzake de oprichting van het beloofde overlegorgaan voor de audiovisuele sector en de controle op de overeenkomsten die kabeldistributeurs met de diverse beheersorganisaties sluiten, werden nog geen stappen gezet.

Op al deze verworvenheden diende decennia te worden gewacht, tot de wetgever zich in 2014 verwaardigde om de rechtsonzekerheid die hij door zijn eigen onvolkomen wetgeving had veroorzaakt eindelijk, met het nieuwe Wetboek van economisch recht (en in het bijzonder het zogenaamde boek XI daarvan aangaande intellectuele eigendom), ophief. Nu het juiste wetgevende kader gerealiseerd is, weigert de overheid het echter in werking te stellen. Ook de Europese regelgeving legt ze vlotjes naast zich neer.

Van Europa gesproken: aan Berlaymont, Luxemburg en andere Brusselse aangelanden worden op dit eigenste moment debatten gevoerd over vitale hervormingen van het auteursrecht en naburige rechten. Het zou onze Belgische overheid sieren mocht ze daar eindelijk een bijdrage toe leveren met een heldere visie, proactief afgetoetst aan de standpunten van de stakeholders in de artistieke sector. Zo’n herijking van de Europese regelgeving is absoluut noodzakelijk, opdat artiesten – auteurs zowel als uitvoerders – het hoofd zouden kunnen bieden aan de geprivilegieerde positie van de grootmachten van het internet, die zelf geen waarde creëren maar teren op die gerealiseerd door anderen. In concreto eisen artiesten een eerlijke vergoeding voor de exploitatie van hun opnamen via digitale weg, voor downloads en streams dus. Daarover bestaan binnen onze nationale en internationale organisaties doordachte inzichten en haalbare voorstellen. Gegeven dat muzikanten en acteurs de conditio sine qua non vormen van alle creatie, wordt maar beter goed naar hen geluisterd door de Commissie, het Parlement en de Raad. En door de Belgische regering uiteraard, gegeven dat zij de cultuursector in dit land een inspanning waard zou achten.

De buitenwacht mag er dan wel een sport van maken om te foeteren op collectieve beheersvennootschappen, feit is dat zij worden gedragen door auteurs en uitvoerende kunstenaars – al was het alleen maar omdat die organisaties voor een groot stuk van hun inkomen zorgen. Net omdat het om het goede geld van vergoedingsplichtigen en rechthebbenden gaat, worden ze ook terecht aan zeer strenge wettelijke regels en dito controle onderworpen. Desondanks blijven sommige mythes hardnekkig, zoals deze als zouden beheersvennootschappen ontiegelijk veel geld inhouden (ja zelfs verdonkeremanen) als werkingskosten. De ontkrachting van dat soort uitspraken zou ons nu te ver voeren, laat  ik echter volstaan met te zeggen dat een eenvoudige berekening ons heeft geleerd dat indien met name de kabelrechten waar onze artiesten recht op hebben effectief zouden worden uitgekeerd, de werkingskosten van PlayRight in één klap met ongeveer een derde zouden verminderen.

Waar de voorganger van PlayRight indertijd immobilisme en traagheid werd aangewreven door de bevoegde minister van Economie, kunnen we nu de bal dus vlotjes terugkaatsen. In dit geval is het de gedupeerden echter jammer genoeg niet gegeven om de vergunning van de verantwoordelijken in te trekken.

Luc Gulinck,

Voorzitter van de Raad van Bestuur van PlayRight