Europees auteursrecht en internet

Luc Gulinck is voorzitter van PlayRight, de Belgische vennootschap voor het collectief beheer van naburige rechten van uitvoerende kunstenaars (acteurs en muzikanten)

In De Standaard van 7 juli ll. verscheen een stuk van Dominique Deckmyn over het debat rond de Europese regelgeving op het vlak van auteursrecht op het internet. Daarin stelt hij dat de artiesten zich niet hebben laten horen in de discussie. Internationale organisaties en belangengroeperingen van auteurs en uitvoerende kunstenaars als GESAC, AEPO-ARTIS en IAO vragen nochtans al lang aandacht voor deze urgente kwestie. Ze lieten in de aanloop naar de stemming in het Europese Parlement en daarna luid en duidelijk, in de media en elders, hun ongenoegen blijken over de vertekening van de inzet van het debat. Ook in Vlaanderen lieten GALM (Genootschap Artiesten Lichte Muziek), bij monde van zijn voorzitter Tom Kestens, naast onder meer Koen Wauters en Alex Callier zich horen in aanloop naar het debat.

Google en consoorten wisten die stemmen echter vakkundig te neutraliseren. Dankzij doorgedreven lobbywerk, maar ook dankzij slinkse verleiding van de goegemeente: door hier een paar honderdduizend euro te schenken aan een project van ontheemde kansarme mensen en daar een appje te ontwikkelen waarmee je medische data in bulk kunt analyseren, kopen ze zich al jaren pseudohumanitair krediet. Dat wordt aangesproken wanneer bepaalde initiatieven of ontwikkelingen hun zakenmodel bedreigen. Publieke opinie, beleidsmakers en academici worden op die manier ‘gekocht’ zonder dat ze er zelf erg in hebben.

Los daarvan valt op de evaluatie van de kwestie door Dominique Deckmyn niets af te dingen. Het ging bij de stemming in het Europees Parlement inderdaad helemaal niet om de redding van het internet en het afwentelen van censuur – dat was de ‘framing’ die internetactivisten en bepaalde politici er op hysterische wijze van hebben gemaakt. Het is het discours waar ook piratenpartijen aller landen zich van bedienen: de foute aanname als zou auteursrecht een instrument zijn dat de vrije meningsuiting inperkt. Hoe kan het verspreiden van een muziek- of een audiovisueel werk neerkomen op het vertolken van een mening? Als daaruit al een mening naar voren zou komen, dan toch die van de auteur, en niet die van de verspreider?

Concreet: wie met zijn smartphone opnames van zijn of haar jolige koter de wereld in wil sturen, mag dat vandaag ongehinderd doen. Niets in de teksten die werden weggestemd, had daar ook maar een zier aan veranderd. Mocht het ukje zijn gestuiter evenwel op de tonen van een streepje Prince verrichten, dan zouden volgens die ontwerpbepalingen YouTube en soortgenoten (dus niet de uploader van het filmpje) de rechthebbenden moeten betalen. Wat zou daar in ‘s hemelsnaam mis mee zijn, als je weet wat de geviseerde platformen dagelijks aan waarde gecreëerd door artiesten voor zichzelf binnenhalen? De weggestemde artikelen zouden het evenmin onmogelijk gemaakt hebben om je te uiten als volbloed communist en de gemeenschappelijke eigendom van productiemiddelen te propageren. Als je die boodschap op je Facebookpagin zou opleuken met het Beatles-nummer Revolution, tja, dan zou het winkeltje van Zuckerberg daar een fractie van een cent aan uitvoerders en auteurs voor moeten uitvorken. Et alors?

Anneleen Van Bossuyt (Europees Parlementslid van N-VA) argumenteerde dat de Europese plannen onlineplatformen zouden verplichten een duur systeem te installeren om alle geüploade content voortdurend te monitoren en te filteren. Dat zou een obstakel zijn voor inlandse kmo’s die de YouTubes of Googles van deze wereld willen uitdagen met eigen diensten. Laten we dat argument eens simpelweg omkeren: waarom die technologie niet annexeren? Maak er open source van zodat iedereen ze gratis kan gebruiken – als onteigening kan en mag voor auteurs en uitvoerende kunstenaars, waarom dan niet voor de moguls van het internet?

Dat gezegd zijnde: er is een ei van Columbus dat alle bezorgdheden rond censuur en vrije informatieverspreiding in deze materie kan ontmijnen. Een simpele oplossing, helder in haar eenvoud maar jammer genoeg amper in het debat of in de verslaggeving daarover aan bod gekomen. Ze kan als volgt worden samengevat: laat iedereen die gebruikmaakt van artistieke content – voor commercieel gewin dan wel louter belangeloos – daarvoor een vergoeding betalen in relatie tot gegenereerde inkomsten of behaalde voordelen. Grootgebruikers (en dus, ook hier, niet de consument of de uploader) betalen dan een percentage van hun omzet, ongeacht hun businessmodel, exploitatie- of distributiewijze, aan rechthebbenden. Geen filters of Content ID-systemen meer nodig; een verplichte licentie (zo heet dat in auteursrechtelijk jargon) zorgt vanzelf voor een werkzame manier van vergoeding van de creatieve krachten en de industrie die hen schraagt.

De geschetste premisse kun je toepassen op de all-you-can-eat-modellen van platformen als Spotify, Netflix, Deezer, Apple Music, maar ook op omroepen, kabeldistributeurs, digitale dienstenverstrekkers, diensten die opslag in de cloud leveren, enzovoort. Ze kan gelden voor het lineaire aanbod, voor on demand-diensten en voor in de toekomst te ontwikkelen, vandaag nog onbekende exploitatiewijzen. Technologieneutraliteit moet het kernwoord zijn: welke technische middelen er ook voor de exploitatie van de artistieke content worden ingezet, er gaat altijd een percentage van de omzet naar de geëigende collectieve beheersorganisaties van rechthebbenden, die de gelden verder onder hun leden verdelen.

Zo’n systeem zou door zijn bevattelijke eenvoud goed vallen bij gebruikers en vergoedingsplichtigen. Vandaag verdwalen ze in ondoorzichtige en als te complex ervaren regelgeving. Het zou consumenten daarnaast een soort van fair trade-garantie bieden: de zekerheid dat hun betalingen rechtstreeks ten goede komen aan diegenen voor wie ze zijn bedoeld. Op die manier zou de ontzaglijke waarde die onze artiesten creëren voor de maatschappij voor een billijk stuk naar henzelf terugvloeien, en niet langer in eerste instantie naar de economische krachten die er hun commercieel voordeel mee doen.

Luc Gulinck is voorzitter van PlayRight, de Belgische vennootschap voor het collectief beheer van naburige rechten van uitvoerende kunstenaars (acteurs en muzikanten)