Vanaf 1 maart 2026 zou iedere lesgever in het kunstonderwijs die een contract voor minder dan een derde van de volledige werktijd ondertekent ingevolge voorgenomen wijzigingen van de regering aan de werkloosheidsreglementering[1] zijn inkomensgarantie en statuut van behoud van rechten verliezen. Die inkomensgarantie zorgt er in beginsel voor dat wie een deeltijdse lesopdracht aanvaardt in het kunstonderwijs, zijn werkloosheidsvergoeding in verhouding bijgepast ziet tot het volledige bedrag waarop hij normaliter recht zou hebben. Het statuut van behoud van rechten maakt dan weer dat de houder na afloop van een tijdelijke (deeltijdse) opdracht in het kunstonderwijs weer onverkort recht krijgt op de kunstwerkuitkering die hij tevoren genoot.
Afschaffing van een en ander zal onvermijdelijk deeltijds werk ontmoedigen. De maatregel zal ertoe leiden dat kunstenaars geneigd zullen zijn om in het kunstonderwijs geen deeltijdse lesopdrachten meer aan te nemen. Als hun inkomstgarantie en statuut van behoud van rechten komen te vervallen, is deeltijds werken-lesgeven financieel niet meer aannemelijk. Academies, secundaire onderwijsinstellingen en hogescholen voor kunstonderwijs lopen aldus het risico geen docenten meer te vinden die voor een deeltijdse aanwerving willen kiezen, waardoor hun werking en hun educatieve opdracht in het gedrang komen. Deze maatregel lijkt daarenboven tegenstrijdig met de doelstelling van de regering om de werkgelegenheidsgraad te verhogen (naar 80% tegen 2029). Hij zet kunstenaars immers aan om volledig werkloos te blijven in plaats van deeltijds te werken.
Het behoeft uiteraard geen betoog dat het kunstonderwijs voor broodnodige culturele educatie en activiteiten (concerten, tentoonstellingen, voorstellingen) zorgt, en tevens bijdraagt aan de sociale cohesie en de lokale economie. Komt daarbij dat deze wijzigingen in de werkloosheidsreglementering haaks staan op de nog maar net gerealiseerde hervorming van de kunstwerkregeling. Die stelt kunstenaars en andere kunstwerkers in staat om zonder risico werk met periodes van niet-werkzaamheid te combineren.
Minister van Werk David Clarinval zegt naar verluidt zich bewust te zijn van het probleem. Mogelijk zou nog aan de bewuste regeling worden getornd, maar tot nader order bestaat hierover nog geen duidelijkheid. Na de al eerder aangekondigde plannen van de federale regering om het kostenforfait binnen het fiscale regime voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten te koppelen aan het kunstwerkattest (en de onzinnige effecten die dar het gevolg van zouden zijn) en het willekeurige onderscheid tussen diverse disciplines/genres inzake BTW-tarifering van toegangstickets in de cultuursector, is dit de zoveelste onbegrijpelijke beschikking van de huidige federale regering voor de brede kunstensector.
[1] Zie de programmawet van 18 juli 2025: https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2025/07/18/2025005578/justel