De te verwachten impact van de beperking van de toepasselijkheid van het kostenforfait binnen het fiscale regime voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten

3 februari 2026

De recente regeringsbeslissing om de forfaitaire kostenaftrek binnen het fiscale regime voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten enkel nog voor te behouden aan houders van een kunstwerkattest – of toch aan houders van een gewoon kunstwerkattest of een kunstwerkattest “plus” – zal beduidende implicaties en ontwrichtende effecten hebben. En dat niet alleen voor rechtstreeks betrokken actoren als de beheersvennootschappen en andere schuldenaars van dergelijke rechten, maar ook voor de werking van de Kunstwerkcommissie, de fiscus en bij uitbreiding het hele ecosysteem van de Belgische kunst- en cultuursector.

Die te verwachten gevolgen, in hun niet te negeren samenhang, dreigen in de eerste plaats de hervorming van de sociaalrechtelijke omkadering van het kunstwerk, die nog maar pas werd ingezet met de invoering van de kunstwerkregeling, ten gronde te ontregelen en te destabiliseren. Daar zal rechtsonzekerheid en administratieve lastenverhoging voor heel wat betrokken partijen uit volgen, met voorspelbare neveneffecten in andere domeinen. We ontwikkelen de specifieke consequenties – juridische en andere – hieronder meer in detail.

1)      De voorwaarde over een kunstwerkattest te beschikken teneinde het fiscale kostenforfait voor inkomsten uit rechten in te kunnen roepen, komt vooreerst neer op een schending van een fundamenteel en stevig verankerd principe in het internationaal auteursrecht (sensu lato, dus ook in de naburige rechten). Namelijk dat de bescherming die deze rechten bieden (en dus ook de vergoeding voor de verlening van dergelijke rechten) niet mag worden onderworpen aan formaliteiten. De bescherming ontstaat namelijk automatisch door de schepping van het werk of het leveren van de prestatie, ze mag niet afhankelijk worden gesteld van een registratieplicht, van een depot, van bepaalde vermeldingen of kentekens op het werk of de vastlegging van de prestatie of … van het verkrijgen van een bepaald document verstrekt door een overheidsinstantie. We verwijzen in deze in de eerste plaats naar Artikel 5, lid 2 van de Conventie van Bern: “Het genot en de uitoefening van deze rechten zijn niet onderworpen aan enige formaliteit; zij zijn onafhankelijk van het bestaan van bescherming in het land van oorsprong van het werk.[1]. Hetzelfde beginsel is ook vastgelegd in andere internationale verdragen, in richtlijnen van de Europese Unie en rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en in nationale regelgeving van heel wat andere landen dan de EU-lidstaten.

Daaruit vloeit dan verder voort dat geen enkele hindernis mag worden opgeworpen tegen de betaling van rechten door een collectieve beheerorganisatie aan haar aangeslotenen. Dit volgt onder andere uit de Belgische auteurswetgeving (boek XI van het Wetboek van economisch recht[2]), EU-richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten[3], een veelheid aan Europese en nationale rechtspraak in diverse lidstaten en nationale en internationale jurisprudentie. De aanpassing van de fiscale wetgeving zal dus allereerst op deze basis kunnen worden aangevochten voor de rechtbanken, dan wel in relaties van belastingplichtigen met de fiscus.

2)      Voor exploitanten in de culturele industrieën (uitgevers, producenten, distributeurs …) en voor de beheersvennootschappen in ons land zal de maatregel een niet te onderschatten, zoveelste verzwaring van administratieve taken en stijgende operationele kosten met zich meebrengen. Ze zullen hun nu standaard geldende procedures van berekening en inhouding van roerende voorheffing moeten aanpassen en moduleren, daarbij onderscheid makend tussen (en zich vergewissend van) wie houder is van een gewoon kunstwerkattest of een kunstwerkattest “plus”, en wie niet. Voor al die partijen zal dit onvermijdelijk tot verhoging van de overhead en vertraging in de uitbetalingen leiden.

Voor beheersvennootschappen geldt dan nog in het bijzonder dat de auteurswetgeving sinds 2014 voorschrijft dat hun werkingskosten in beginsel de drempel van 15% van hun totale inningen niet mogen overschrijden.[4] Dit was een werkpunt voor de sector, maar de laatste jaren blijkt het merendeel van de actoren van het collectief beheer erin te slagen die drempel te respecteren.[5] De voorgenomen maatregel dreigt deze positieve evolutie nu weer teniet te doen. Men vraagt zich aansluitend tevens af of de onderscheidende procedures die beheersvennootschappen ingevolge de maatregel zullen moeten opzetten niet haaks komen te staan op hun wettelijke verplichting om het beheer van rechten te voeren op grond van niet-discriminatoire criteria.

3)      De koppeling van de toepassing van het kostenforfait binnen het fiscale regime voor inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten aan de voorwaarde van houderschap van een gewoon kunstwerkattest of een kunstwerkattest “plus” zal automatisch leiden tot een overvloed aan aanvragen bij de Kunstwerkcommissie. Nu al kunnen we er evenwel van uitgaan dat die nieuwe aanvragers meestal niet de gegadigden zullen zijn voor wie de hervorming van het kunstenaarsstatuut tot de nieuwe kunstwerkregeling in beginsel bedoeld was, maar wel zelfstandigen en/of aanvragers die niet noodzakelijk aan de voorwaarden voor het bekomen van een kunstwerkattest zullen voldoen (om redenen opgesomd in punt 4 hieronder, dan wel om andere). Dit zal leiden tot een ongeziene hoeveelheid extra werk voor de dienst Working in the Arts en de commissieleden zelf, waarvan velen al overbevraagd zijn en sommigen al meer dan werk genoeg verrichten beyond the call of duty.

Om in het licht van het bovenstaande een ruw idee te geven van aantallen: vandaag beschikken een aantal duizend mensen[6] over een kunstwerkattest (inclusief kunstwerkers die geen artiesten zijn, maar artistiek-technische en artistiek-ondersteunende profielen)[7]. De aantallen aangeslotenen bij de relevante Belgische beheersvennootschappen van auteurs en naburig rechthebbenden die voor inkomsten in rechten in aanmerking komen, mogen dan weer geredelijk rond de 70.000 à 80.000 geschat worden. We spreken hier dus over een mogelijke influx van tienduizenden extra aanvragen …

4)      Het kunstwerkattest in zijn drie varianten – gewoon, “plus” of “starter” – is voorbehouden aan kunstwerkers werkzaam in acht welbepaalde domeinen in de kunsten[8], wier activiteiten daarenboven aan bijzondere vereisten moeten voldoen. Beperking van de mogelijkheid tot toepassing van het kostenforfait tot enkel houders van de twee eerste soorten kunstwerkattest zou een heel aantal personen die titularis zijn van auteursrechten en naburige rechten buiten die acht domeinen uitsluiten: bijvoorbeeld journalisten, wetenschappelijke en educatieve auteurs,  auteurs en uitvoerende kunstenaars werkzaam in reclame,  grafische vormgevers en designers, auteurs en uitvoerende kunstenaars die hun inkomsten uit rechten innen met tussenkomst van een eigen vennootschap, enzovoort. Daarenboven zouden dus ook startende kunstwerkers (zij die normaliter kunnen bogen op het kunstwerkattest “starter”) worden uitgesloten van de mogelijkheid van toepassing van het kostenforfait.

Het valt zodoende te voorspellen dat deze verregaande discriminatie rechthebbenden zal aanzetten tot het aanvechten van de maatregel voor de rechtbanken. Daar bestaat eveneens goede rechtsgrond toe: de hoedanigheid van rechthebbende van auteursrechten of naburige rechten is juridisch immers in generlei mate gerelateerd aan sociaalrechtelijk statuut, werk(zaamheid) of werkloosheid, beginnersstatus of graad van professionaliteit. Er zijn aldus rechthebbenden die werken in loondienst, werkloze rechthebbenden, gepensioneerde, zelfstandige, studerende, minderjarige … En wat met erfgenamen van auteurs en uitvoerende kunstenaars, voor wie de koppeling van toepassing van het kostenforfait met de voorwaarde van houderschap van een kunstwerkattest onmogelijk te concipiëren valt? De ongerijmdheid van een dergelijke ingreep, gerealiseerd in het sociaalrechtelijke domein maar met een fiscale doelstelling, moge duidelijk zijn.

5)      Ook al leven in ons land slechts weinig genieters van inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten ten volle van hun creatief werk of hun artistieke prestaties, en ook al vertegenwoordigen die inkomsten voor een groot deel van die rechthebbenden slechts een beperkte opbrengst, ze maken in de overgrote meerderheid van de gevallen wel het verschil uit tussen het hoofd boven water houden als kunstenaar of niet. Met de verwerving van inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten is naast een aantal kosten ook heel wat onbetaalde tijdsbesteding gemoeid: voor het onderhandelen en opmaken van contracten, voor de diensten van een boekhouder, voor het advies en de bijstand van een gespecialiseerd jurist of advocaat, voor aansluiting en aangifte van werken en opnames bij beheersvennootschappen, enzovoort. Voor het vervullen van de opdracht zelf (het regisseren van de film, het maken van de illustratie, het schrijven en opnemen van de soundtrack …) zijn dan weer andere uitgaven en onbezoldigde werkuren aan de orde, te onderscheiden van deze gemaakt en gepresteerd voor het verkrijgen van de inkomsten uit rechten: in casu voor opnamemateriaal, illustratiemateriaal, studiohuur, opleiding, vakliteratuur en dies meer.

In welke mate en voor welke aanslagjaren al die kosten uiteindelijk in verhouding zullen blijken te staan tot de inkomsten van de exploitatie van de realisaties van de rechthebbende, valt doorgaans vooraf niet in te schatten en ook achteraf onmogelijk te bepalen. Ziedaar de ratio legis van de forfaitaire kostenaftrek waarin de wet voorzag … Voor zover nu de voorgenomen overheidsmaatregel rechthebbenden in de toekomst zou doen besluiten om hun werkelijke kosten in te brengen, zal dit voor hen extra administratie en kosten met zich meebrengen, evenals de noodzaak om een beroep te doen op gespecialiseerde accountants en fiscalisten die de eigenheden van de kunstensector kennen (waarvoor dan weer gerust de term “knelpuntberoepen” mag gelden). Nu al valt te voorspellen dat die verschuiving de waarschijnlijkheid van conflicten over de al dan niet aanvaarding van die werkelijke beroepskosten met de fiscus ten zeerste zal doen toenemen. En dus ook de complexiteit van belastingaangiftes van kunstenaars en, in het algemeen, de rechtsonzekerheid.

Die inbreng van de werkelijke kosten bij de berekening van de belasting op inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten zal sowieso voor problemen zorgen. De inhouding van de roerende voorheffing op die inkomsten gebeurt immers op de brutobedragen van die inkomsten, dus voordat de werkelijke kosten bekend zijn. Op basis van de aangifte van de personenbelasting zal de ingehouden roerende voorheffing dan a posteriori afgezet dienen te worden tegen de uiteindelijke netto-inkomsten (na aftrek van de reële kosten). Geredelijk zal dan doorgaans het teveel aan ingehouden roerende voorheffing aan de belastingplichtige terugbetaald moeten worden.

6)      Voor wie inkomsten uit rechten int en een gewone werkloosheidsuitkering geniet[9] maar geen gewoon kunstwerkattest kan voorleggen, leidt de maatregel tot een extra aderlating. De niet-toepasselijkheid van de forfaitaire kostenaftrek komt dan vooreerst neer – zoals voor alle genieters van inkomsten uit auteursrechten en/of naburige rechten die geen houder zouden zijn van het vereiste kunstwerkattest –op een aanzienlijke verhoging van de belasting op die inkomsten.[10] Maar daarnaast zal de maatregel bijkomend effect hebben op de mogelijkheid tot cumulatie van die inkomsten met de werkloosheidsuitkering van betrokkenen. Momenteel is het hen toegestaan om maximaal 11.060,40 € netto belastbaar per jaar te ontvangen aan inkomsten uit rechten, zonder dat die inkomsten afdoen aan hun uitkering. Ingevolge de voorgenomen maatregel zou er echter geen onderscheid meer zijn tussen de bruto-inkomsten en de netto in aanmerking te nemen inkomsten. Concreet betekent dit dat die gerechtigden nog slechts 11.060,40 € bruto per jaar aan rechteninkomsten zullen kunnen ontvangen zonder dat hun uitkering wordt ingeperkt, in plaats van 22.120,80 € bruto voorheen.

[1] https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1971072430&table_name=wet

[2] https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2013022819&table_name=wet, zie met name artikelen XI.248, XI.249, XI.261-XI.267 en XI.271-XI.273/16.

[3] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32014L0026, zie met name artikelen 4, 5, 12 en 13, evenals diverse inleidende overwegingen van de richtlijn aangaande de regelmatige, zorgvuldige en tijdige betaling van geïnde rechten waartoe collectieve beheerorganisaties gehouden zijn.

[4] https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2013022819&table_name=wet, artikel XI.256.

[5] Zie Controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en naburige rechten – Jaarverslag 2024, pp. 22-23  (https://economie.fgov.be/sites/default/files/Files/Publications/files/Jaarverslag-2024-Controledienst-vennootschappen-beheer-auteursrechten-N.pdf).

[6] Op 31 december 2024: 2.861 instromers die voor de omvorming ervan al beschikten over het kunstenaarsstatuut) en 1.874 aan wie in de loop van 2024 het kunstwerkattest werd toegekend door de Kunstwerkcommissie – bron: Jaarverslag 2024 Kunstwerkcommissie (https://www.workinginthearts.be/file/cc73d96153bbd5448a56f19d925d05b1379c7f21/9190e213ed459528c585c5fe437676321d1d671e/rapport-annuel-wita-nl.pdf).

[7] In 2024 werden bij Working in the Arts in totaal 3.729 aanvragen voor een kunstwerkattest ingediend, waarvan er 661 ingetrokken werden. Van de 3.068 voor behandeling weerhouden aanvragen werden er in datzelfde jaar 2.317 (= 75,5% van de weerhouden aanvragen) behandeld, waarbij effectief 1.874 kunstwerkattesten werden toegekend – bron: Jaarverslag 2024 Kunstwerkcommissie (Ibid.).

[8] De audiovisuele kunsten, de beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal.

[9] En dus niet: houders van een kunstwerkattest “plus” die een kunstwerkuitkering genieten …

[10] Tot het bedrag van 20.590,00 € gaat het alvast om een verdubbeling van de belasting, voor het bedrag tussen 20.590,00 € en 41.180 € stijgt ze met 25%).

Share This :

Gerelateerde items





sluiten

Inloggen Lid worden