Het fiscale regime voor auteursrechten: aan inperking toe?

7 juli 2020

In 2008 bestempelde de Belgische wetgever persoonlijke inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten fiscaal eindelijk als roerende inkomsten.[1] Daar was tot dan heel wat discussie over geweest. De fiscus aanvaardde immers doorgaans niet dat dergelijke inkomsten als roerend werden gekwalificeerd en betoogde tot voor de rechtbanken dat ze naargelang het geval moesten gelden als (zwaarder belaste) beroepsinkomsten of diverse inkomsten. Sindsdien zijn ze evenwel in beginsel – dat wil zeggen voor zover ze een bepaald geïndexeerd drempelbedrag (62.090 euro voor het inkomstenjaar 2020) niet overstijgen – onderhevig aan 15% roerende voorheffing (exclusief gemeentebelastingen), na aftrek van forfaitair bepaalde of reële beroepskosten.

Auteursrechten en naburige rechten komen echter niet enkel toe aan auteurs en uitvoerende kunstenaars. Ook softwareontwikkelaars, architecten en zelfs – als men de notie van voor auteursrechtelijke bescherming vatbare werken enigszins geweld aandoet – marketeers en reclamemensen zijn gegadigden. Ook zij laten zich dan ook maar al te graag uitbetalen in die lager belaste rechten. Dat maakt dat het bedrag dat Belgen bij de fiscus aangeven als inkomsten uit rechten de jongste jaren aanzienlijk is toegenomen. Volgens een artikel in De Tijd van 16 mei jongsleden zouden ruim 38.000 mensen in ons land gebruik maken van het systeem. Dat zijn uiteraard niet allemaal artiesten, fotografen of journalisten – de categorieën aan wie de wetgever in 2008 toch in de eerste plaats rechtszekerheid wou bieden.

De aanwas is voornamelijk te zoeken bij zelfstandigen en bedrijfsleiders in IT, marketing en reclame en bij sommige vrije beroepen. Zij laten zichzelf door hun ondernemingen of managementvennootschappen een deel van de omzet of het verloningspakket uitbetalen in auteursrechten. Mooi meegenomen is ook dat ze daarop geen sociale bijdragen hoeven te betalen, althans – volgens betwiste rechtspraak – indien er geen arbeidsovereenkomst voorligt. Over de hoegrootheid dat dit deel vergoeding voor de overdracht van rechten maximaal mag belopen, biedt de wetgeving geen uitsluitsel. Er is wel de zogenoemde soft law van de Dienst Voorafgaande Beslissingen (ook wel de ‘Rulingcommissie’ genoemd[2]), waartoe individuele belastingplichtigen zich wenden wanneer ze twijfelen over de manier van aangifte van een bepaalde inkomst. De beslissingen van de commissie zijn dan wel openbaar, maar doordat de naargelang de situatie gehanteerde percentages behoorlijk uiteenlopen (sommigen zeggen zelfs: van willekeur getuigen), is de rechtszekerheid er hoe langer hoe minder mee gediend.

Die kunstmatige oprekking van het gunstige fiscale regime voor inkomsten uit rechten leidt ondertussen in politieke kringen, en zelfs daarbuiten, tot zure oprispingen. In zoverre dat de negatieve perceptie afstraalt op het stelsel zelf. Voor de creatieve sector, voor wie het uiteindelijk bedoeld was, is dat een bedreiging. Concreet was dat bijvoorbeeld te merken in de recente debatten in de Commissie Sociale Zaken van het federale parlement, toen het ging over de onrechtvaardige verrekening (lees: aftopping) van de roerende inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten met de werkloosheidsuitkeringen die artiesten genieten onder het kunstenaarsstatuut. Werklozen die roerende inkomsten als dividenden uit aandelen of huurgelden genieten mogen die zonder enige beperking combineren met hun vervangingsinkomen, artiesten evenwel niet. In de Commissie werden wetsvoorstellen ingediend om deze discriminatie eindelijk af te schaffen; een voor de hand liggende maatregel die de keihard door corona getroffen cultuursector enig soelaas zou kunnen bieden. Sommige volksvertegenwoordigers kwamen daar evenwel tegen in het geweer, net omdat ze auteursrechtelijke vergoedingen door hun al te brede invulling zijn gaan associëren met misbruik. Voor zij die zich wel op het regime moeten kunnen beroepen, dreigt zo het gevaar dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Nochtans zou de wetgever met twee eenvoudige ingrepen in deze het kaf van het koren kunnen scheiden.

Ten eerste zou hij het aandeel van de vergoeding voor de overdracht van rechten in de betaling voor de levering van auteursrechtelijke werken of nabuurrechtelijke prestaties kunnen beperken per beroepscategorie. In het artistieke veld doen heel wat spelers nu al aan dergelijke zelfregulering. Zo geldt voor de acteurs bijvoorbeeld één derde als de norm. Ook scenaristen, regisseurs en boekenauteurs waken erover dat steeds een gezonde balans wordt bewerkstelligd tussen dat deel van de vergoeding waar wél, en dat deel waar geen sociale bijdragen op worden geheven. Meteen is dan tevens het gevaar bezworen dat de rechthebbende zijn sociale bescherming te zeer zou (laten) inperken door maximalisatie van het rechtenaandeel, al dan niet onder druk van de opdrachtgever of de werkgever.

Daarnaast zou de wetgever als voorwaarde voor de toepasselijkheid van het roerende inkomsten-regime kunnen bepalen dat de vergoeding enkel kan betaald worden door een derde partij die het werk of de prestatie geleverd door de auteur of de uitvoerende kunstenaar daadwerkelijk exploiteert en/of door een collectieve beheerorganisatie (zoals Sabam, PlayRight, SACD …). Partijen dus die te onderscheiden vallen van de natuurlijke persoon van rechthebbende, maar ook van diens werkgever of van de eventuele rechtspersoon waarin hij zijn belangen zou hebben ondergebracht. Anders gezegd: enkel indien een rechthebbende (of zijn rechtverkrijgenden) vergoed wordt door een derde partij die instaat voor de exploitatie van zijn werk of prestatie en/of voor het collectief beheer van zijn rechten, zullen die inkomsten vallen onder het geëigende fiscale regime. Niet langer kan dat dan door simpelweg een deel van de bedrijfsomzet of de interne verloning aan te merken als vergoeding voor rechtenoverdracht. Door de link met het specifieke werk of de specifieke prestatie te herstellen, wordt het regime teruggebracht tot zijn essentie en prevaleert weer de ratio legis waarvoor het in het leven werd geroepen.

Deze opinie werd opgesteld door PlayRight en wordt medeondertekend door Sabam, GALM, DeActeursgilde en De Scenaristengilde.


[1] Wet van 16 juli 2008 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot instelling van een forfaitaire belastingregeling inzake auteursrechten en naburige rechten

[2] De Rulingcommissie ressorteert onder de Federale Overheidsdienst Financiën en biedt aanvragers de mogelijkheid om met een ruling rechtszekerheid te verkrijgen over de toepassing van een fiscale regel op specifieke situaties of verrichtingen, voor zover die regel eerder nog geen uitwerking heeft gehad (zie https://www.ruling.be/nl).

Share This :
sluiten

Log in Lid worden